De overheid is aan zet in het leasedrama 30-07-2004
Een overbelasting van het rechtssysteem dreigt nu bemiddeling voor de aandelenlease mislukt is. Minister Zalm moet met een oplossing komen.

Arnoud van Campen en Matth Roessingh
De ontwikkelingen op het effectenleasefront volgden elkaar deze maand in rap tempo op. Wellicht dat nu het moment daar is voor de overheid om een actieve bijdrage te leveren aan een oplossing van deze slepende kwestie.
Minister Gerrit Zalm van Financien heeft in zijn brief aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het op 14 juli 2004 gepresenteerde rapport van de commissie Geschillen Aandelenlease onder leiding van oud-ombudsnan Maarten Oosting, maatregelen aangekondigd om een `goede en voortvarende rechtsgang voor aanbieders en afnemers van aandelenleaseproducten te ondersteunen'.
Het is de vraag waar de minister precies op doelt. Het gaat immers om geschillen tussen private partijen, zodat een terughoudende rol van de overheid gepast lijkt. Niettemin is bemoeienis van de regering misschien toch gewenst. In het rapport van de commissie-Oosting wordt namelijk ook kritiek geuit op de toezichthouder Autoriteit Financiele Markten (AFM). Die zou veel te laat (namelijk pas in 2001) beleggers hebben gewaarschuwd voor de risico's van effectenlease. Daar weegt echter niet tegenop dat, zoals recentelijk bekend werd gemaakt, de AFM in december 2003 bestuurlijke boetes heeft opgelegd aan de grootste aanbieder van effectenleaseproducten, Dexia, wegens het niet voldoen aan wettelijke verplichtingen op het gebied van effectenrecht.
Gezien de enorme omvang van de huidige problemen is het daarom niet uit te sluiten dat ook de AFM betrokken zal worden in procedures van beleggers. Zelfs een parlementaire enquete over de rol van de toezichthouder is niet ondenkbaar.
Wellicht dat dit aspect aangrijpingspunt kan zijn voor een (beperkte) financiele bijdrage van de overheid aan een algemene regeling van alle gevallen. In een dergelijke regeling zouden beleggers aan de hand van een aantal variabelen gecompenseerd kunnen worden. Daarbij zouden ook persoonlijke omstandigheden van beleggers (zoals hun inkomenspositie) verdisconteerd kunnen worden. De bemiddelingspoging van de commissie-Oosting is weliswaar gestrand, maar misschien kan een contributie van de overheid (mede gebaseerd op de rol van de AFM) er alsnog voor zorgen dat een minnelijke regeling totstandkomt.
Als dat niet gebeurt zal de rechterlijke macht eerdaags overspoeld worden door een stortvloed aan effectenleasezaken, dit ondanks de door Dexia als een overwinning ontvangen uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 7 juli 2004 in de procedure die tegen Dexia is aangesspannen door onder meer de Stichting Leaseverlies. Deze uitspraak is weliswaar een tegenvaller voor de eisende partijen, maar bedacht moet worden dat het beroep op misleidende reclame in deze zaak slechts een van de juridische aspecten is die in deze kwestie speelt.
In dat kader is het rapport van de commissie-Oosting en het standpunt van

de AFM een opsteker voor de beleggers. Beide instanties bevestigen dat aanbieders van effectenleaseproducten zich in het kader van hun zorgplicht hadden moeten verdiepen in de financiele en persoonlijke omstandigheden van hun klanten. De commissie hanteert zelfs het uitgangspunt dat de volledige restschuld

vergoed moet worden indien de aanbieder niet kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. In haar bemiddelingspoging is door de commissie-Oosting voorgesteld dat aanbieders van aan

delenleaseproducten beleggers 75 procent van hun restschulden zouden kwijtschelden. Het voorstel van de commissie was voor Dexia niet acceptabel. Hierdoor is de bemiddelingspoging mislukt, maar het is geenszins uitgesloten dat de civiele rechters de commissie-Oosting en de AFM (deels) zullen volgen in hun standpunten.
Eveneens op 14 juli 2004 is door de Rechtbank Arnhem in een effectenleasezaak een tussenvonnis gewezen dat suggereert dat het contract inzake de 'Winstverdriedubbelaar' in strijd is met de Wet op het Consumentenkrediet. Dit zou kunnen betekenen dat al dit soort contracten nietig zijn, met als gevolg dat Dexia alle ontvangen rentetermijnen en restschulden van die contracten moet
terugbetalen. Ook dit vonnis is voor beleggers een steun in de rug, zodat naar ons idee de balans nog steeds in het voordeel van de gedupeerde beleggers uitvalt.
Minister Zalm had de commissie-Oosting ingesteld om te voorkomen dat alle beleggers naar de rechter zouden moe
ten, waardoor het rechtssysteem zou dichtslibben. Omdat de bemiddelingspoging niet geslaagd is, zijn zowel de beleggers als de aanbieders terug bij af. Het doemscenario dreigt nu (alsnog) realiteit te worden. Dexia zal namelijk tegen iedere belegger die niet vrijwillig zijn rente en/of restschuld kan of wil voldoen individueel een procedure moeten aanspannen.
Te verwachten valt dat die beleggers in hun verweer onder meer zullen aanvoeren dat Dexia niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Het gaat hier dus niet om eenvoudige incassoprocedures maar om zaken waar per contract een inhoudelijke toetsing plaats moet vinden. Alleen daarom al is voor Dexia de weg naar de rechter weinig aantrekkelijk. Ook de overheid zal zich terdege moeten afvragen of deze weg gewenst is, mede gezien de hiervoor geschetste implicaties.
Mr. A.C. van Campen en Mr. M.G. Roessingh zijn respectievelijk advocaat bij CMS Derks Star Busmann to Amhem en bedrijfsjurist te Utrecht. Zie ook www.fd.nl/legio.

Bron: Het Financieele Dagblad